Introductie ‘Dierenrechten’ door Erno Eskens
Introductie ‘Korte ketens’ door Jan Willem van der Schans
Paneldiscussie
Lancering Barth-Misset fonds door Else de Jonge
Het verhaal van Kipster door Ruud Zanders

Illustraties door SproetS


 

 Vrijdag 16 maart 2018, Oirlo. Buiten is het koud en grijs, maar binnen is het behaaglijk. Door de glazen afscheiding kunnen we van nabij kennismaken met de dames van Kipster. Over een lopende band worden de laatste eieren van de leg die morgen getransporteerd naar de verpakkingsunit. De dames zelf scharrelen rond in de centrale hal. Vanwege de ophokplicht in verband met de vogelgriep kunnen ze niet naar de buitenverblijven. Maar de hal biedt genoeg hip- en scharrelruimte. Een nevel in de lucht getuigt van de vele stofbaden die ze deze morgen al genomen hebben.

 


Erno Eskens, filosoof
In het ‘kippenhok’ -de publieksruimte van Kipster- geeft dagvoorzitter Maaike de Reuver het woord aan filosoof Erno Eskens, onder meer bekend van ‘Een beestachtige geschiedenis van de filosofie’. Hij betoogt dat de wijze waarop de huidige samenleving met dieren omgaat, fundamenteel ondemocratisch is. Een situatie die ontstaan is met de waardering van Aristoteles van het intellect. Aristoteles, die ook wel de eerste bioloog genoemd wordt, beschreef de mens als een uniek wezen, omdat deze een hoge mate van intellect bezat, waarmee hij de wereld naar eigen inzicht kon vormgeven. De macht van de mens werd gerechtvaardigd door de unieke kwaliteit van het intellect. Natuurlijk waren vrije mannen dan weer intellectueler dan vrouwen of slaven, waarna dieren volgden, de planten en tenslotte de mineralen: de scala natura.

 


Wet Dieren
Artikel 2.1.1 Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
Erno Eskens: “Voor de rechter wordt dit redelijke doel meestal vertaald naar een economisch doel. Er wordt dus niet uitgegaan van het belang van het dier.”


Deze scala natura hield nog lang stand. Eigenlijk tot 1789, De Franse Revolutie, waarin de hele gevestigde orde opnieuw geëvalueerd werd. Een omwenteling die vele denkers aanzette tot het vastleggen van heel nieuwe benaderingen van de maatschappij. Zoals Mary Wollstonecraft die in 1792 A vindication of the rights of women schreef. Waarin ze reageerde op achttiende-eeuwse theoretici die geloofden dat vrouwen geen opleiding nodig hadden. Het werk werd in hetzelfde jaar geparodieerd door Thomas Taylor met A vindication of the rights of brutes, waarin hij volgens dezelfde logica als Wollstonecraft betoogde dat ook dieren die rechten zouden moeten worden toebedeeld. “Alhoewel het als parodie bedoeld is, laat het zich in deze tijd eigenlijk als een heel redelijk betoog voor dierenrechten lezen”, merkt Erno Eskens op.

Dierenrechten
Henry Stephens Salt was vervolgens een van de eerste schrijvers die zich echt met de rechten van dieren bezig hield. In plaats van te focussen op het bevorderen van dierenwelzijn, richtte hij zijn betoog op de fundamentele rechten van dieren. Dat in ogenschouw nemend, moeten we ons drie vragen stellen volgens Erno Eskens:
-Horen in een democratie alle belangen gewogen te worden?
-Hebben dieren belangen?
-Hebben we één weegschaal nodig om die belangen op te wegen?

 


Grondwet
Artikel 1 Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.


 


Onze behandeling van dieren is ongrondwettelijk, betoogt Erno Eskens vervolgens. Het argument dat de wet alleen van toepassing is op wie hem begrijpt, is makkelijk van tafel te vegen. Want babies of mensen met een beperking begrijpen de wet ook niet, maar de wet geldt ook voor hen. En toch discrimineren we in de toepassing van deze wet. Niet op ras, maar op soort. Geen racisme, maar soortisme. Een term die schrijver en psycholoog Richard Ryder (‘alle wezens die pijn ervaren, verdienen mensenrechten’) als eerste introduceerde en vervolgens is uitgewerkt door de Australische filosoof Peter Singer in zijn boek ‘Animal liberation’ (1975). Het centrale argument van het boek is dat het idee dat ‘het grootste geluk voor het grootste aantal’ de enige maatstaf is voor goed of ethisch handelen en dat er geen gegronde reden is dat we deze maatstaf niet op andere dieren dan mensen moeten toepassen.

Depersonificatie
Erno Eskens hoopt dan ook dat de agenda van de Barth-Misset stichting zich niet primair op dierenwelzijn zal richten, maar op dierenrechten. Want het goed zorgen voor welzijn van dieren, voelt een beetje als het goed zorgen voor slaven, zoals de Nederlander Willem Bosman begin achttiende eeuw nauwkeurig beschreef. Eskens vindt het onbegrijpelijk dat we aan iets totaal onpersoonlijks als een naamloze NV al persoonsrechten toekennen, terwijl dieren alleen als rechtsobjecten behandeld worden. Hij memoreert in dit kader het promotieonderwerp van de Noors-Nederlandse filosofe Else Barth. Zij schreef haar dissertatie over het woordje ‘de’. Dat, zodra we het hebben over een groep die we aanduiden met het woord ‘de’, we die groep eigenlijk ontdoen van alle persoonlijke kenmerken. En die de-personificatie leidt tot een veronachtzaming van de persoonlijke behoeften van de individuën in die groep. Hetzelfde gebeurt als we het hebben over de varkens, de kippen en de koeien.

Natuurlijk worden we voor de nodige praktische problemen geplaatst als we eenmaal overgaan tot het toekennen van persoonsrechten aan dieren. Bij het principe ‘One man, one vote’ delven we natuurlijk het onderspit bij insectenpopulaties. Dus stelt Erno Eskens voor een taxonomie uit te werken, niet op geslachtskenmerken zoals Linnaeus in gang zette, maar één op basis van belangen. Dat die belangen gekoppeld worden aan de zetels in de Eerste en Tweede Kamer. En dat je dan als kamerlid niet alleen volksvertegenwoordiger voor mensen bent, maar ook de vertegenwoordiger van de belangen van een aantal soorten andere dieren.

 


 

Jan Willem van der Schans, onderzoeker duurzame veehouderij WUR
De tweede spreker is Jan Willem van der Schans, onder andere bekend als warm pleitbezorger van de stadslandbouw. Hij legt uit dat stadslandbouw van alle tijden is, maar dat de organisatie ervan door de tijd heen veranderd is. In de steden van voor het gekoelde transport werden groenten verbouwd en melkkoeien gehouden. De eerste ring buiten de stad was voor bosbouw, omdat het betrekkelijk veel inspanning kostte om het zware hout te transporteren. Buiten die rand van bosbouw werd het vleesvee gehouden. Zolang die niet geslacht waren, konden zij zichzelf gratis naar de abattoirs in de stad transporteren. Deze organisatie van grondstoffen in en rond de stad bepaalde tot op zekere hoogte ook de groeimogelijkheden van de stad. Met de komst van het gekoelde transport veranderde dat drastisch. Het maakte niet meer uit waar de koeien graasden of de varkens vetgemest werden: zuivel en vlees kon over elke afstand getransporteerd worden. Abattoirs werden buiten de steden geplaatst en de groeimogelijkheden van steden werden eindeloos.

Van varkensabattoir tot lopende band
Chicago groeide juist door het varkens-abattoir dat aan de rand gebouwd werd, en werd om die reden ook wel gekscherend Porgopolis, city of the Porgs genoemd. De slachterij was zo groot, dat het wel een kleine stad op zich leek. De slacht verliep uitermate efficiënt. Waarbij het hele proces van slacht en uitbenen gestroomlijnd was en ook restmaterialen in zo’n concentratie voor handen kwamen, dat die ook weer verwerkt konden worden tot borstels, gelatine en andere producten. Het was op deze plek dat Henry Ford op het idee van de lopende band kwam. Als je zo efficiënt een varken uit elkaar kon halen, dan moest je omgekeerd ook met dezelfde efficiëntie een auto in elkaar kunnen zetten. Een aanpak die uitermate succesvol bleek. Ondanks klachten van lokale slagers, die hun handel zagen verdwijnen naar de varkensstad, werd deze schaalvergroting niet alleen toegestaan maar ook omarmd als nieuwe industriële en economische logica: het fordisme.

De korte keten
Maar we raken daardoor ook het contact met de producent en het productieproces kwijt. En dat is waar de nieuwe stadslandbouw zich op richt: het herstellen van het contact tussen voedselproducent en voedselconsument. Door korte ketens mogelijk te maken tussen producenten en consumenten, waarbij er liefst niet meer dan één schakel tussen hen zit. De lokaal geproduceerde seizoensgroente doos is daar een mooi voorbeeld van. Een initiatief dat door meerdere aanbieders gevolgd is. Tot Albert Heijn aan toe. En daar wringt het natuurlijk wel, want de doos heeft alle marketingkenmerken van de verse groente doos, maar hoe kort is deze keten nu echt? En waar beoordeel je dit soort initiatieven? Volgens Jan Willem van der Schans moet je daarbij kijken naar wat het initiatief doet voor het inkomen van de boer (dat zou beter moeten worden), de kwaliteit van de producten en het productieproces (lokaal en/of biologisch en duurzaam), het dierenwelzijn als het gaat om dierlijke producten en of er sprake is van een soort partnerschap tussen de producent en consument.

De vraag is natuurlijk of je bij dierlijke producten wel echt van korte ketens kunt spreken. Omdat er toch meestal nog een extra schakel nodig is voor het verwerken van de producten. De slager, de zuivelfabriek. En er is ook meer afval dan bij het produceren van groente en fruit.

Toch ziet Jan Willem van der Schans ook voor dit soort producten mogelijkheden om korte keten initiatieven te beoordelen. Het initiatief moet in ieder geval niet door een supermarkt genomen worden, het dient meerdere functies, wordt in het algemeen tegen lagere kosten beschikbaar gesteld op basis van gedeeld eigenaarschap en is om dat te bereiken verpakt in een goed verhaal.

Een mooi voorbeeld is Kamelenmelkerij Smits. Ooit door een student bedacht die uitkeek over een graslandje en zich voorstelde hoe leuk het zou zijn daar op kamelen uit te kijken. Onderzoek wees uit dat kamelenmelk allerlei gezondheidsvoordelen biedt en bovendien in Europa nog niet geproduceerd werd. De melkerij is inmiddels de grootste producent van Europa en ook een plek waar publiek langs kan komen om kamelen te knuffelen en feestjes te geven.

Een ander voorbeeld is dat van schapenboer Paul Bos. Die na een carrière als journalist, communicatie-adviseur en oprichter van een adviesbureau de schapenboerderij van zijn ouders overnam en van daaruit management-trainingen over kuddegedrag ging geven. Toen hem door een oven-fabrikant om 20 kilo lamsvlees werd gevraagd voor de presentatie van een nieuw soort oven, stelde hij voor die presentatie bij hem op de boerderij te organiseren. Hij vroeg er de dagprijs van hun marketingteam voor, dat € 8.000 euro bleek te zijn. Hoe een ervaring de prijs van 20 kilo lamsvlees op kan drijven.

Fordisme versus toyotisme
Waar het fordisme via efficiëntie tot betaalbare auto’s kwam die er allemaal eender uitzagen, ging Toyota in op de behoefte van consumenten zich te onderscheiden. Dat betekende dat een groot deel van de lopende band hetzelfde ingericht was als bij Ford, alleen in het laatste stuk werden er variaties aangebracht waardoor er op het oog verschillende auto’s de fabriek uit reden. Jan Willem van der Schans ziet een doorgevoerd Toyotisme voor zich als hij kijkt naar de ontwikkelingsmogelijkheden voor de korte keten.

Een lopende band die zowel een gevariëerde input heeft (verschillende toeleveranciers) als een gevariëerde uitput. Zoals de kippenslagerij die op maandagen ruimte biedt aan kleine partijen kippen van verschillende leveranciers. Of de koffiebranderij die in het productieproces kan variëren tussen verschillende partijen bonen. Of het nieuwe korte-keten melkinitiatief ‘Elke’, waarbij je een fles melk kan kopen met de melk van een enkele melking van een enkele koe. Geen enkele fles heeft dezelfde inhoud, omdat geen enkele koe dezelfde hoeveelheid melk per melking geeft. Dit soort initiatieven leiden tot de-commodificatie en dus grotere waardering van producten.

 



Paneldiscussie
Met Bert van den Berg (Dierenbescherming), Ruud Zanders (Kipster), Marlijn Somhorst (Lidl), Stijn Derks (pluimveehouder en lid van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt)

 


Stelling 1
Er zijn drie strategieën om de veehouderij te helpen verder te verduurzamen. Duwen, trekken en wringen. Wringen is het meest kansrijk van deze drie.


Bert van den Berg licht toe dat bij de ontwikkelingen naar een duurzamere veehouderij wringen vaak het beste werkt. Je moet niet op de politiek wachten. Er zijn immers Europese regels, maar door gebrek aan draagvlak worden die in veel lidstaten niet of nauwelijks nageleefd. In Nederland worden er jaarlijks 400 miljoen consumptiedieren gefokt, daarvan groeit minder dan 1% op in biologische omstandigheden. Hoe goed een initiatief als Livar ook is, met drie sterren van het beter leven keurmerk, het blijven marginale initiatieven als je kijkt naar de enorme hoeveelheden dieren die onder erbarmelijke omstandigheden moeten leven. De gang van legbatterij naar scharrel is ook een langdurig proces geweest, waarbij publieke verontwaardiging in de jaren tachtig over de leefomstandigheden van de kippen leidde naar nieuwe opstellingen voor de kippen. De eieren van deze kippen waren in het schap te herkennen aan het scharrelkeurmerk. In dat proces moest eerst aangetoond worden dat het technisch en economisch mogelijk was. Inmiddels hebben de Nederlandse supermarkten besloten de legbatterij-eieren helemaal uit de schappen te weren.

Met het ‘Beter leven’ keurmerk wordt nu op eenzelfde manier geprobeerd consumenten over te halen bewuster dierlijke producten aan te schaffen.

Ruud Zanders reageert dat wringen kansrijk kan zijn, maar dat in zijn ogen uiteindelijk het maatschappelijk duwen bij supermarkten in 2003 de doorslag gaf om eieren van kooi-kippen te weren uit de schappen. Frits Mandersloot, van LTO Noord fondsen, merkt op dat waarschijnlijk de combinatie van strategieën het kansrijkst is.

Erno Eskens vraagt zich af of het ‘Beter leven keurmerk’ niet ook dieronvriendelijke situaties in stand houdt. Met één beter leven ster, geef je een dier nog geen goed leven. Geef je de consument met die ene ster niet een soort aflaat om zijn matige keuze mee te vergoeilijken? Bert van den Berg geeft aan dat de voorwaarden van de sterren meebewegen met inzichten rond de standaarden rond het houden van consumptiedieren. De voorwaarden voor die ene ster zijn over tien jaar waarschijnlijk weer hoger dan vandaag. Erno Eskens brengt daar tegenin dat de standaard is dat varkens in hokken van 0,65 m2 gehouden mogen worden. Daarin kunnen ze zich niet keren. Als de voorwaarde voor die ene ster 1m2 per varken is, dan heeft het varken nog altijd niet veel bewegingsruimte.

Vera Bavinck (Avivet) vindt de verschuivingen die de voorwaarden van de eerste ster teweeg brengen wel van wezenlijk belang. Natuurlijk hebben varkens op 1m2 nog steeds niet veel ruimte, maar het gaat wel om heel veel varkens die net iets meer ruimte hebben. Marlijn Somhorst (inkoop Lidl) beaamt de impact van het Beter Leven keurmerk. In de tien jaar dat het keurmerk bestaat, is het iets geworden dat consumenten op grote schaal laten meewegen bij hun aankoop en inmiddels op heel veel producten terug te vinden is. Ook Paul van Boekholt, directeur Noord-Europa en Zuidelijk Afrika bij fokkerijorganisatie Hubbard, ziet de voordelen van het ‘Beter leven keurmerk’. “Je haalt er dierlijke producten mee uit de anonimiteit, het is geen commoditeit meer als je stilstaat bij het leven dat eraan vooraf is gegaan.”

 


Stelling 2
We moeten veel meer exclusieve ketens bouwen waarin primaire producenten en retailers samen leidend zijn.


Het is de stelling van Ruud Zanders van Kipster. Het heeft hem altijd verbaasd dat voedselproducenten niet rechtstreeks aan supermarkten leveren. Navraag bij collega-boeren leidde steevast tot hetzelfde antwoord: supermarkten waren niet te vertrouwen, konden contracten zomaar opzeggen, hielden zich niet aan afspraken. Dus kon je maar beter met een tussenhandelaar in zee gaan. Toen hij later zelf met supermarkten aan tafel ging, legde hij hen dezelfde vraag voor: waarom namen zij niet rechtstreeks hun producten bij boeren af? En ook daar leefde de opvatting dat er geen duidelijke prijsafspraken met boeren te maken waren, dat het te veel tijd zou kosten om de contacten te onderhouden en dat ze daarom maar liever met tussenhandelaren werkten. Maar als je wil dat er iets verandert in de sector, dan moet het volgens Zanders juist van deze twee partijen komen: de producent en de retailer. Alle andere partijen zijn alleen facilitair.

Frits Mandersloot (LTO Noord fondsen), is het hier niet mee eens. Want uiteindelijk is het de consument die bepaalt wat er gekocht wordt. Volgens Ruud is dat zeker niet de drijvende kracht achter veranderingen. In zijn ogen wil de consument niets. Toen hij in 1996 als early adapter met een mobiele telefoon rondliep, werd hij aan alle kanten uitgelachen. Niemand zat op die mobiele telefoon te wachten. “Het is het meest gebruikte argument om niets te doen. Kom in de Albert Heijn voor een potje pindakaas en je kunt kiezen uit 29 verschillende soorten. Dat is echt niet door de consument gevraagd,” aldus Zanders. Mandersloot beaamt dat er zonder aanbod ook geen vraag is, maar dat het toch uiteindelijk de consument is die kiest. Maite van Gerwen (Centre for Sustainable Animal Stewardship) vindt dat de verantwoordelijkheid genomen moet worden door de instellingen en personen die de kennis in huis hebben om tot verbeteringen te komen. Daar is ook Arianne Bode (Slow Food Youth Network Academy) het mee eens. Zoals met de leghaantjesproblematiek, waarbij hanenkuikens van leghennen direct na het uitkomen vergast worden. De industrie heeft de kennis in huis om hier oplossingen voor te bedenken. Die verantwoordelijkheid kun je niet bij consumenten leggen.

Jan Willem van der Schans kan zich voorstellen dat er ook wel samen te werken is met restaurantketens als het gaat om duurzame producten. Ruud Zanders zijn ervaring is anders: ook kwaliteitsreaturants willen vaak tegen zo scherp mogelijke prijzen inkopen. De samenwerking met supermarktketen Lidl bracht de doorbraak in het Kipster-avontuur.

Marlijn Somhorst van Lidl licht toe dat de supermarktketen maar een beperkt aantal merken aanbiedt en dat daardoor de impact van hun inkoopbeleid ook erg groot is. Lidl adverteert niet met duurzame inkoop van producten, maar probeert bij het inkoopbeleid wel zoveel mogelijk korte ketens te bewerkstelligen. Miriam van Bree kan zich ook vinden in de stelling. Het is goed om de tussenhandel zoveel mogelijk te vermijden in de keten.

Stijn Derks vraagt zich af of deze stelling alleen betrekking heeft op Nederlandse retailers. Want een groot deel van het in Nederland geproduceerde voedsel is voor de export. En dan is de tussenhandel wel heel belangrijk. Miriam van Bree geeft aan dat je als voedselproducent ook in het internationale circuit een kwetsbare positie hebt in de lange keten. Dus dat ook daarbij het direct optrekken met retailers versterkend kan werken.

 


Stelling 3
Voor meer duurzaamheid moeten we ons richten op het vergroten van de vraag, niet op het aanbod.


Marlijn Somhorst (Lidl) geeft aan dat het met deze stelling toch een beetje een kip-ei vraagstuk is. Zorgt een grotere vraag tot belangrijke verschuivingen in de keten? Of volgt op een verbeterd aanbod ook de gewenste vraag? Miriam van Bree geeft aan dat het schap met biologische producten hard groeit en dat blijkt dat veel consumenten toch voor biologisch kiezen, als de producten voorhanden zijn.

Erno Eskens vraagt zich af of er niet ook een rol voor de politiek is in deze. Als er vanuit de politiek een aantal regels gesteld worden, waar iedereen zich aan moet houden, leidt dat waarschijnlijk tot grote verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn in het productieproces. Ruud Zanders ziet dat met de huidige coalitie van het CDA, de VVD, D66 en de ChristenUnie niet gebeuren. Maite van Gerwen denkt wel dat beleid op dit terrein kan helpen. Er moeten keuzes gemaakt worden. Natuurlijk moet je nog een goede boterham kunnen verdienen in de voedselproductie, maar het moet rond het onderwerp dierenwelzijn wel echt anders aangepakt worden.

Paul van Boekholt is het wel 100% eens met de stelling. De vraag moet er zijn, anders ga je producten weg moeten gooien. Maar hoe rijm je dat met de onwetendheid van de consument, vraagt Maite van Gerwen zich af. Ook Ruud Zanders geeft aan dat als je nu weer kooi-kip eieren in het schap zou leggen, er zeker consumenten zijn die dat weer zouden kopen. Sommige dingen moet je dus niet aan de vraag overlaten.

Frank de Rond van Livar merkt op dat je ook niet te snelle veranderingen van de sector kunt verwachten. De economische realiteit van boeren is dat een stal in vijftien tot twintig jaar wordt terugverdiend. Dat moet je meenemen in je duurzaamheidsambities. Daar brengt Ruud Zanders tegenin dat in vrijwel geen enkele andere sector het terugverdienmodel over zo’n lange periode wordt uitgesmeerd. Voor de meeste bedrijfsgebouwen moet de investering in vijf jaar zijn terugbetaald. Het is de vraag of we het lange terugverdienmodel wel moeten vasthouden in het boerenbedrijf. Probleem is volgens Frank de Rond, dat de omschakeling naar scharreleieren voor pluimveehouders een investering gevraagd heeft met de belofte dat er meer voor de eieren betaald zou worden. Dat blijkt nu niet het geval. Dus het is maar helemaal de vraag of deze investering terugverdiend kan worden door deze boeren.

 


Stelling 4
Extra aandacht en tijd voor dierenwelzijn moet door de consument betaald worden.


Stijn Derks (Agro Jongeren Kontakt) is zelf pluimveehouder en geeft aan met veel zorg en liefde voor zijn vleeskuikens te zorgen. Zijn kuikens hebben het goed. Ze wonen misschien niet in een villa, maar het leven in een rijtjeshuis kan ook een gelukkig leven zijn. Als er aanpassingen in de leefomstandigheden gewenst zijn, dan zou de prijs daarvoor bij de consument moeten komen te liggen. Als er op dit moment al iets mis is, dan komt het doordat boeren de afgelopen twintig jaar te weinig aan marketing gedaan hebben. Daardoor zijn ze het contact met de klant kwijtgeraakt.

Ruud Zanders legt Stijn de vraag voor of hij zijn bedrijf niet anders in zou richten, als hij het helemaal opnieuw zou mogen inrichten en dat dat geen effect zou hebben op zijn omzet. Stijn geeft aan dat hij dan niet ver zou zitten van hoe het bedrijf nu is ingericht. Het is efficiënt, duurzaam en voldoet aan de regels. Erno Eskens noemt een aantal veel voorkomende problemen die zich voordoen bij het houden van vleeskuikens, waarvan Stijn aangeeft dat die bij hem nagenoeg niet voorkomen.

Madeleine Looyen (Eyes on animals) kan zich niet vinden in dit rooskleurige beeld. Ze geeft aan dat economische afwegingen nog altijd doorslaggevend zijn in de productie van dierlijke voedselproducten. Veertig kwartels in een hokje bij elkaar, onzorgvuldig transport, zorgelijke situaties in slachthuizen. Consumenten hebben vaak geen idee. Ook niet als ze een product kopen met 1 ster van het Beter Leven keurmerk. De kip met één ster heeft bijzonder weinig leefruimte. Misschien net iets meer dan de norm, maar daar is da ook alles mee gezegd. Het zou goed zijn als in de supermarkten zichtbaar is, wat die sterren inhouden. Dat je gelijk weet waar het over gaat.

Marlijn Somhorst geeft aan dat consumenten eigenlijk niet zoveel informatie willen bij de producten die ze aanschaffen. Een proef met QR-codes, waarbij alle informatie heel eenvoudig op te vragen was, liet zien dat daar nauwelijks gebruik van werd gemaakt. Maite van Gerwen kan zich dat voorstellen, en stelt een andere opstelling voor. Eén waarbij klanten die een dierlijk product willen kopen, eerst even langs een infostandje gaan waar ze voorlichting krijgen over hoe het product tot stand gekomen is. Als ze de informatie tot zich hebben genomen, krijgen ze een voucher, die ze moeten laten zien als het product wordt afgerekend.

Toch wordt het Beter Leven keurmerk als een goede basis gezien bij de voorlichting van consumenten. Op dit moment behelst het keurmerk alleen nog dierenwelzijnsstandaarden. Er wordt aan gewerkt daar ook milieu- en volksgezondheidsparameters bij op te nemen.


Aanbevelingen van het panel
Stijn Derks: “Denk vooral mee met de boeren en schuif niet eenzijdig de verantwoordelijkheid op deze groep af.”.
Marlijn Somhorst: “Consumenten, retailers, tussenhandel en voedselproducenten: we hebben hier allemaal een verantwoordelijkheid te nemen. Het zou al enorm schelen als we allemaal iets minder vlees zouden gaan eten.”
Ruud Zanders: “Ik ben er voorstander van naar oplossingen te zoeken waarmee we van de kelder naar de zolder springen.”
Bert van den Berg: “We moeten niet wachten op de politiek. We moeten ons richten op een goede samenwerking binnen de keten om tot verbeteringen te komen.”


 


Lancering Barth-Misset fonds
Door Else de Jonge, secretaris van de Barth-Misset stichting

Else Barth en Henk Misset
“Het lijden en de lage bestaanskwaliteit van consumptiedieren is één van de meest urgente problemen van onze tijd.” Het is een uitspraak van de Noors-Nederlandse logicus en analytisch filosoof Else Barth. Ze was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Noorse Academie van Wetenschappen. Een gerenommeerd filosoof die vond dat de filosofie moest worden afgestemd op de vitale problemen van mannen, vrouwen en alle voelende wezens. Een warme filosofie, die ervan uitging dat we via beter redeneren (logica) en discussiëren (argumentatieleer) tot verbetering konden komen. Een filosofie met een empirische oriëntatie. Else Barth hield zich bezig met allerlei in de samenleving heersende denkbeelden, om te ontrafelen hoe die in elkaar zitten. Daarbij keek ze vooral naar denkbeelden die samenhangen met onderdrukkingsverschijnselen. De situatie van het consumptiedier vond zij in dit kader bijzonder schrijnend.

Binnenkort verschijnt het boek Empirische Logica, een mooie verzameling essays van Else Barth. Een aanrader voor een ieder die met haar gedachtengoed kennis wil maken.

Else Barth was samen met de Nederlandse econoom Henk Misset. Henk Misset was directeur van het NIAS en als feminist actief lid van de actiegroep Man Vrouw Maatschappij.

Nalatenschap met een missie
In 2015 overleden Else Barth en Henk Misset kort na elkaar. Zij lieten een vermogen na van 3,6 miljoen euro, waarvan zij wilden dat het besteed zou worden aan het verbeteren van dierenwelzijn, in het bijzonder tijdens het transport. Het was tevens hun wens dat het fonds beheerd zou worden door een stichting, waar twee leden uit het bestuur oud studenten van Else Barth zouden zijn, en twee leden afkomstig uit de gelederen van de dierenbescherming.

Onder begeleiding van de Argumentenfabriek zijn in een aantal sessies boeren, dierenwelzijnsorganisaties, veeartsen, wetenschappers en andere belangrijke spelers op het terrein van dierenwelzijn met elkaar in gesprek gegaan over welke problemen in de sector als eerste aangepakt zouden moeten worden. Op basis daarvan is de agenda van de Barth-Misset stichting geformuleerd. De agenda is op de website van de stichting gepubliceerd.

Verbeteren dierenwelzijn
Uit het fonds worden projecten gefinancierd die een directe of indirecte impact hebben op dierenwelzijn. Jaarlijks is hier 150.000 euro voor beschikbaar. Daarnaast organiseert de stichting jaarlijks een aantal reflectiebijeenkomsten, waarbij het denken over onze relatie met dieren centraal staat.

De eerste vooraanvraagronde van het fonds loopt tot 14 mei 2018. Een adviesgroep beoordeelt de aanvragen aan de hand van een afwegingskader dat op de website van de stichting gepubliceerd is. Aanvullend op het afwegingskader wordt gekeken of het project aansluit bij het jaarthema van de stichting. Voor 2018-2019 is het thema transport. Dat betekent dat projecten die zich richten op het verminderen, verfijnen of vermijden van transport bij gelijke geschiktheid de voorkeur genieten.

De adviesgroep en het bestuur van de Barth-Misset Stichting zien uit naar goede, duurzame, vernieuwende en bovenal diervriendelijke projecten. Zegt het voort!


 


Het verhaal achter Kipster
Ruud Zanders

Is er nog een rol voor dieren in de voedselindustrie van de toekomst? Het is de vraag die Ruud Zanders zichzelf stelde, toen zijn internationale vleeskuikenbedrijf met een jaarlijkse omzet van 45 miljoen euro over de kop ging. Als boerenzoon had hij het bedrijf van zijn vader overgenomen. Die na de oorlog geheel volgens het Marshall plan grootschalig eieren was gaan produceren. De gedachte in die tijd was dat als mensen genoeg te eten zouden hebben, er geen reden voor oorlog zou zijn. Dus werd het belangrijkste uitgangspunt van de voedingsindustrie om zo veel mogelijk te produceren, tegen zo laag mogelijke kosten. Een uitgangspunt dat nog steeds voor terug te vinden is bij het merendeel van de voedselproducenten in Nederland, terwijl de maatschappelijke realiteit al lang veranderd is. Dat zag Ruud Zanders ook, toen hij zich na het faillissement opnieuw ging oriënteren.

Ruud sprak met onderzoekers uit Wageningen die zich bezighouden met de de voedselvraag van de toekomst. Er bleek inderdaad nog een rol voor het dier om in die vraag te voorzien. Mensen hebben per dag ongeveer 60 gram aan eiwitten nodig. Om in die eiwitten te kunnen voorzien, hebben dieren een rol, zij het een veel kleinere dan nu het geval is.

De wereldbevolking groeit en als we in staat willen zijn om iedereen in 2050 te voeden, dan zal de voedingsindustrie veel bewuster om moeten gaan met grondstoffen. Niet graan verbouwen voor veevoer, want dat is inefficiënt. Graan moet primair voor mensen verbouwd worden. Uit de reststromen van die graan verwerkende industrie kan veevoer vervaardigd worden voor kippen en varkens. Die zijn goed in staat dat om te zetten naar dierlijke eiwitten in de vorm van eieren en vlees. Dat betekent wel dat het aantal dieren dat gehouden wordt, afgestemd moet worden op de grootte van de reststromen. Er zullen dus veel minder dieren gehouden moeten worden. En ook al hebben grazers een slechte reputatie in het klimaatdebat, zelfs voor koeien en geiten is er in de de toekomst nog een rol. Niet alle grond is geschikt voor akkerbouw. Op deze marginale landerijen groeit wel gras. Zolang we zelf gras niet kunnen verwerken tot eiwitten, is het zinvol daar koeien en geiten te laten grazen voor melk en vleesproductie.

Na deze conclusie besloot Ruud Zanders toch verder te gaan met kippen. Maar niet op de oude manier. Zijn droom was de allerbeste kippenschuur ter wereld te bouwen, die helemaal ingericht is op de toekomstige voedselvraag. Samen met duurzaam ondernemer Maurits Groen, communicatiestrateeg Olivier Wegloop en boer Styn Claessen bouwde Ruud in Oirlo het hypermoderne Kipster. Een met zonnepanelen bedekt gebouw, waarin witte kippen zowel een ruim binnen- als buitenverblijf hebben. “Witte kippen hebben een betere voedsel omzetting. Ze hebben minder voeding nodig om zichzelf in stand te houden en eieren te leggen”, geeft Ruud aan. Kipster kon van start nadat supermarktketen Lidl de eieren wilde gaan verkopen. Inmiddels heeft Kipster ook plannen om iets te doen met de leghaantjesproblematiek. Leghanen worden tot nu toe als ongewenste bijvangst direct nadat ze uit het ei gekropen worden, vergast. Kipster wil deze haantjes opkweken voor de vleesproductie. Ook hier is Lidl een belangrijke partner. Zij zullen de leghaantjesburger opnemen in hun assortiment.